
Zoeken
Arita Baaijens pleit juist voor een emotionele benadering van natuur en landschap. Bioloog, onderzoeker én ontdekkingsreizigster
Baaijens verdeelt de mensheid voor het gemak in twee (arche) types: de fixers en de verbeelders.
Deze twee types staan symbool voor verschillende wereldbeelden:
Het begint volgens Baaijens al bij het benoemen van de plaats waar een zonneweide moet komen. Beleidsmakers en ontwikkelaars spreken meestal over een ‘locatie’. Dat heeft de neutrale betekenis van een geografische plaats, zonder enige gevoelswaarde. Voor de bewoners, waaronder mensen, is het echter een ‘plek’ met een relatie. Met verbondenheid, herinneringen en beleDe emotionele waarde ving. In het Engels wordt dit onderscheid weergegeven als “place = space + meaning”.
Het verschil tussen fixers en verbeelders, of tussen locatie of plek, komt ook tot uiting in hoe besluiten over zonneweides worden genomen. Veelal wordt over locaties van zonneweides besloten aan de hand van geografische kaarten, die door experts zijn gemaakt. Echter, de emotionele laag met de niet-tastbare kwaliteiten van natuur en landschap staat niet op de kaart – en dus wordt er niet over gesproken.
Baaijens vindt dat beleving van natuur en landschap ook op de kaart moet worden gezet. Letterlijk. Op de geografische kaarten ontbreekt nog te vaak de laag van het landschap waarin we wonen, waarin we ons thuis voelen, waar beleving is en waar herinneringen aan zijn. De plek van verbeelders. Daarom is een aanvullende kaart nodig, waarop het perspectief van bewoners is ‘ingetekend’. Die kaart laat zien wat je niet kunt kwantificeren, maar wel kunt bemerken. Daarbij definieert Baaijens de term ‘bewoners’ zeer breed: het gaat niet alleen om dieren en planten, maar ook om mensen.
Deze emotionele belevingskaart komt boven op de cartografische kaart. De kaart kan worden ingezet om het gesprek aan te gaan over die aspecten van het landschap, die mensen belangrijk vinden. Deze aspecten kunnen vervolgens worden meegenomen in besluitvorming. Door de belevingskaart inzichtelijk te maken én het gesprek erover te voeren, wordt ook transparant waarom het ene aspect wel mee mag tellen en waarom andere aspecten niet.
Volgens Baaijens stuurt de taal van de energietransitie ook ons denken. De taal van winstmaximalisatie, transitie en gebiedskwaliteit horen bij de instrumentele visie, waarbij wij vinden dat natuur en landschap ons bezit is, dat we ermee kunnen doen wat we willen en dat het vooral éénrichtingsverkeer is. Echter, er is ook de poëtische taal, die wederkerigheid benoemt, waarin verbinding en beleving centraal staat en waarmee we in contact met onze omgeving staan. Het wordt tijd, aldus Baaijens, om meer oor én oog te hebben voor de emotionele waarde van plekken.